maandag 15 augustus 2011

Gedeelde waarden en goed burgerschap

Na een -al zeg ik het zelf - welverdiende vakantie, ligt mijn onderzoek nog precies zo op me te wachten als ik het achterliet. Aan de ene kant is dat fijn; het zal je maar gebeuren dat er in de loop van je promotieonderzoek opeens een boek verschijnt dat precies de vragen beantwoordt die jij behandelt in je onderzoek en waarin ook nog eens dingen staan waaraan je zelf nog niet had gedacht. Aan de andere kant had ik stiekem gehoopt dat een korte break ervoor zou zorgen dat bepaalde wezenlijke vragen in een ander licht zouden komen te staan en daardoor ofwel minder prangend zouden worden, ofwel beantwoord zouden zijn. Helaas, dat bleek wishful thinking. De vragen zijn er nog. En een korte zoektocht in Nederlandse politieke literatuur liet me bovendien realiseren dat de vragen niet echt nieuw zijn en opmerkelijk genoeg nog vrijwel hetzelfde zijn als aan het eind van de vorige eeuw.

Zo las ik de afgelopen dagen het boek 'Tegen de islamisering van onze cultuur', van Pim Fortuyn (naar aanleiding van de analyse van Maarten van Rossum). Het is fascinerend om te lezen dat, hoewel we inmiddels bijna 15 jaar verder zijn (het boek verscheen in 1997), dezelfde thema's en dezelfde vragen actueel zijn. Fortuyn verzet zich tegen het cultuurrelativisme dat volgens hem bezit heeft genomen van de Nederlandse samenleving en een negatieve uitwerking heeft op de integratie van nieuwkomers uit met name islamitische landen. Los van het feit dat zijn lezing van de islamitische nieuwkomers en het islamitisch fundamentalisme naar mijn mening niet juist is, is het interessant om te zien welke oplossingen hij aandraagt voor een geslaagde integratie van personen met een andere culturele achtergrond dan de westerse of Europese. Hij gaat op zoek naar gedeelde waarden die essentieel zijn voor de Nederlandse samenleving en naar de definitie van de multiculturele samenleving, zoals we die zouden wensen. Hij vraagt om een open debat, waarin we met elkaar de dialoog aangaan: "Natuurlijk zijn opvattingen over hetgeen een multiculturele samenleving dient in te houden normatief, maar daarmee hoeft het debat nog niet moralistisch te zijn en te worden bepaald door één normatief concept daarvan. In beginsel zijn alle opvattingen in het debat daarover mogelijk en welkom, waarna men probeert tot een definitie te komen die zo breed mogelijk wordt gedragen.".

Het interessante aan deze visie van Fortuyn is dat dit een visie is die in de huidige politiek nauwelijks wordt vertegenwoordigd. Natuurlijk zegt iedere politicus dat hij de stem van het volk verwoordt, maar in beleidsnota's of verkiezingsprogramma's zien we nergens dat een politieke partij voorstander is van een breed maatschappelijk debat naar de gedeelde waarden van onze samenleving of naar de definitie van de multiculturele samenleving. De verwijzing naar de stem van het volk lijkt veel meer een uiting te zijn van het belang niet alleen de hogeropgeleiden te betrekken bij de politiek. Dat 'het volk' echter geen enkelvoudige categorie is en dat er door verschillende individuen en bevolkingsgroepen heel verschillend gedacht wordt over belangrijke thema's als integratie en de toekomst van het multiculturele Nederland, wordt daarbij stelselmatig over het hoofd gezien. Fortuyn sluit voor wat betreft zijn pleidooi voor een open discussie veel meer aan bij de wetenschappelijke burgerschapsliteratuur, waar in de afgelopen decennia steeds meer naar voren is gebracht dat het discursieve proces een belangrijke voorwaarde is voor goed burgerschap: complexe noties  als burgerschap en de multiculturele samenleving  kunnen niet van bovenaf worden opgelegd, maar dienen van onderaf te worden opgebouwd en besproken. In de beleidsnota's van de afgelopen jaren zien we echter het omgekeerde gebeuren. Burgerschap wordt steeds verder ingevuld, de multiculturele samenleving wordt als mislukt beschouwd. Consequentie van deze houding is dat in de integratienota's van de afgelopen jaren steeds meer wordt verwacht en ge-eist van burgers. Het is niet voldoende dat iedereen zich houdt aan de wet. Men dient ook de taal te spreken, zich in te zetten voor de samenleving, zelfredzaam te zijn, en niet onbelangrijk, de essentiële Nederlandse waarden te omarmen. Hier zijn we dus weer terug bij Fortuyn, die ook het belang van de waarden inzag. Maar waar Fortuyn uitging van de kracht van een open debat, wordt in de huidige nota's steeds meer als vanzelfsprekend verondersteld waaraan we moeten voldoen, zonder dit overigens uit te werken en te expliciteren.

En dat roept opnieuw de vraag op waar Fortuyn ook al naartoe wilde: welke waarden zijn essentieel in de Nederlandse samenleving? Waaraan moet iedere burger voldoen? Wat verwachten we van onszelf en van elkaar? In een van de linked-in groepen waar ik lid van ben startte vorige week een discussie precies over deze vraag naar de kernwaarden van de 21e-eeuwse Nederlandse samenleving. Een antwoord is er nog niet :) Gelukkig heb ik nog drie jaar de tijd om me hier verder druk over te maken, hopelijk in een open dialoog met heel veel mensen!

woensdag 8 juni 2011

22 juni: symposium 'Religie, Burgerschap & Integratie

Op 22 juni organiseren het instituut ISW en de faculteit Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap van de Rijksuniversiteit Groningen een masterclass en symposium over 'Religie, Burgerschap en Integratie'.

Tijdens de masterclass (09.00 - 12.00 uur) in de faculteit GGW (Oude Boteringestraat 38, Groningen) zullen drie promovendi hun onderzoek presenteren:
Anne Fetsje Sluis: Deugden en integratie van moslims en niet-moslims in Nederland’
Hoe kan vanuit onderliggende overeenkomsten tussen moslims, christenen en niet-religieuzen integratie worden bevorderd? In hoeverre komen de deugden die moslims, christenen en niet-religieuzen als belangrijk zien overeen?
Renée Wagenvoorde: Religie in goed burgerschap in de hedendaagse Nederlandse samenlevingWat houdt het begrip burgerschap eigenlijk in? Hoe communiceert de Nederlandse overheid over burgerschap? Welk beeld van de ideale burger komt naar voren in publicaties en voorlichtingsmateriaal van de overheid? Welke rol speelt religie in het plaatje van de ideale burger?
Lammert Kamphuis: Civil society: speeltuin of valkuil voor de kerk?
Over de verhouding tussen kerken en de maatschappij is een interessante discussie losgebarsten binnen de politieke theologie. Deze spitst zich onder andere toe op verschillende evaluaties van het concept 'civil society'. Is de civil society een speeltuin of een valkuil voor kerken?
Als master zullen optreden:
Prof. Dr. Jan Pieter van Oudenhoven (emeritus hoogleraar, Psychologie, RuG)Prof. Dr. Arie Molendijk (hoogleraar Geschiedenis van het Christendom, RuG) Prof. Dr. Ad de Bruijne (hoogleraar Ethiek en Spiritualiteit, Theologische Universiteit Kampen) Mr. Thierry Baudet (onderzoeker nationale soevereiniteit, Universiteit Leiden)
Dr. Christoph Jedan (universitair docent Ethiek, RuG)
De promovendi zullen hun onderzoek presenteren waarna de masters worden uitgenodigd te reageren.
Uiteraard zal ook het publiek in de zaal de mogelijkheid krijgen om mee te discussiëren.


Aansluitend vindt 's middags (van 12.00 tot 17.00 uur) het ISW-symposium 'Religie, Burgerschap en Integratie' plaats in Het Kasteel. Tijdens dit middagsymposium zullen Ab Klink, Naema Tahir, Fokko Oldenhuis en Thierry Baudet ingaan op vragen over de rol van religie in de hedendaagse samenleving. Jacques Wallage zal optreden als voorzitter van dit symposium.

De masterclass is vrij toegankelijk, wel is opgave van te voren verplicht. Dit kan door een e-mail met uw gegevens te sturen naar Erica Bielsma, e.bielsma@rug.nl, ovv masterclass 22 juni. De kosten voor deelname aan het symposium bedragen €25,- inclusief lunch. Meer informatie over het symposium en het middagprogramma kunt u vinden op http://www.instituutisw.nl/.
Professionals, beleidsmakers, onderzoekers en geïnteresseerden zijn van harte uitgenodigd om deel te nemen aan deze dag!

vrijdag 22 april 2011

Priming: hoe je onbewust wordt aangezet tot handelen

De laatste jaren schieten de boeken en onderzoeksresultaten als paddestoelen uit de grond: we weten eigenlijk helemaal niet waarom we de dingen doen die we doen. Ons brein beslist alles al. Van de schokkende resultaten van Benjamin Libet over de vrije wil in de jaren tachtig tot de bestsellers van Dick Swaab en Ab Dijksterhuis. De wetenschappers lijken het erover eens: de verklaringen die we geven voor ons handelen zijn mooie verzinsels, maar geven ons een schijn-macht. Eigenlijk worden de meeste beslissingen onbewust gemaakt en weten we helemaal niet waarom we de dingen doen die we doen. (Over de vragen wie 'wij' dan zijn, en waarom ons onbewustzijn kennelijk geen onderdeel van het 'wij' is, volgt ongetwijfeld in een later schrijven nog meer).

Ondanks twijfels over de juiste interpretatie van de onderzoeksresultaten en de houdbaarheid van de conclusies, heb ik de kracht van priming aan den lijve ondervonden. Zoals ik in een eerdere blog aangaf, wilde ik graag een pelgrimstocht lopen. Ik was gefascineerd geraakt door de Camino de Santiago, en wilde daarom zelf graag ervaren hoe het zou zijn om een dergelijke tocht te maken. Ik had mezelf niet echt afgevraagd waar deze wens, zo plotseling, vandaan was gekomen. Waarom wilde ik eigenlijk gaan lopen? Ik ben helemaal geen wandelaar. En waarom juist de Camino de Santiago? Ik ben helemaal niet katholiek opgevoed.
Pas bij thuiskomt begreep ik hoe mijn onbewustzijn me had gemanipuleerd (want pas achteraf vallen die dingen dan op). Al vijf jaar lang keek ik iedere dag tegen het woord 'pelgrim' aan, de merknaam van de afzuigkap, waaronder ik iedere dag stond te koken. Al vijf jaar lang was ik dagelijks geprimed om te gaan pelgrimeren. Geen wonder dat ik op een dag daadwerkelijk op pad ging. En zelfs de keuze voor deze specifieke pelgrimstocht had niets te maken met mijn eigen overtuigingen of met de praktische voordelen van deze route boven alle andere pelgrimages. Het kon namelijk niet missen dat ik naar Santiago zou lopen. Waar de Windows-gebruiker over het algemeen Internet Explorer gebruikt (waarbij explorer natuurlijk ook als priming-materiaal kan worden gezien), werk ik al jaren op mijn Apple met Camino. Camino, het Spaanse woord voor 'weg'. En als het gaat over dé Camino, bedoelen de Spanjaarden de middeleeuwse route naar het graf van de apostel Jacobus (wat overigens de tweede naam van mijn schoonvader is). Onbewust heb ik me jaren laten beïnvloeden om deze tocht te maken. Om er vervolgens pas bij thuiskomst achter te komen dat mijn motivatie nooit vanuit mijn bewuste 'ik' is gemaakt, maar mij is opgedrongen door de keukenapparatuur en software op mijn computer.

En toch begrijp ik het niet helemaal: wat heeft de fabrikant van mijn afzuigkap eraan gehad om mij op pelgrimstocht te sturen?

maandag 4 april 2011

Religie in het publieke domein

"Niet lopen 'beschouwen' van onze belastingcentjes alstublieft! U wordt uitstekend betaald om uw werk te doen." (reactie op www.powned.nl)

Dit was een van de vele reacties op de oproep voor een beschouwend debat over de scheiding tussen kerk en staat, die Jeanine Hennis-Plasschaert laatst deed in dagblad De Pers. Vanuit de Tweede Kamer is gereageerd door inderdaad een debat te laten plaatsvinden, en Tofik Dibi heeft zelfs de mogelijkheid geopperd om voorafgaand aan dit debat een hoorzitting met deskundigen over het thema te houden. Dat dit onderwerp niet alleen in politiek Den Haag op de agenda staat, maar ook leeft in de maatschappij, is te zien aan de hoeveelheid reacties op social media, in opiniestukken en in reacties op verschillende websites. In dit publieke debat, dat zich voor een belangrijk deel afspeelt op het internet, lijkt vooral de vraag naar de rol van religie in de publieke ruimte centraal te staan. De hoofddoek achter het loket van het gemeentehuis, of in de Hema, de gereformeerde school die een homoseksuele leraar ontslaat, of de katholieke school die een leerlinge verbiedt een hoofddoek te dragen. Hoewel deze onderwerpen niet allemaal op hetzelfde niveau spelen, en ook niet allemaal vallen onder de scheiding tussen kerk en staat, zijn ze wel allemaal gerelateerd aan het thema van de rol van religie in de publieke ruimte. Bij het lezen van de vele reacties en opinies op het internet, viel het me op dat de reacties zijn in te delen in drie standpunten.

Aan de ene kant vinden we de uitgesproken liberalen (niet gelijk te stellen aan de liberalen van de VVD), die van mening zijn dat iedereen vrij is en vrij moet zijn, en wel op ieder mogelijk terrein. De enige grenzen aan de vrijheid van een individu worden gegeven door de grondwet. Een hoofddoek achter een loket moet kunnen, net als het vermijden van een loket waarachter een vrouw met hoofddoek zit. Vrijheid van expressie en vrijheid van meningsuiting staan voorop in deze visie en of deze mening of expressie nu religieus gefundeerd wordt of niet, doet niet ter zake. Een religieuze overtuiging wordt in deze visie opgevat als mening naast andere meningen. Niets meer, niets minder:
"Als een man van mening is dat hij mij geen hand wil geven is dat zijn goed recht. Zo is het mijn goed recht om deze man niet in mijn omgeving te accepteren."
"Laat iedereen zich a.u.b. tooien met wat men ook maar wil: bolhoedjes, cowboyhoeden, rastamutsjes, carnavalssteken, hoelarokjes, schoudervullingen, indianentooien, keppeltjes, wat dan ook!" (reacties op www.nujij.nl)

De tweede visie is die van de voorstanders van het uitbannen van religie uit het publieke domein. De aanhangers van deze visie zijn voor een radicale scheiding tussen publiek en privé en zijn veelal van mening dat religie een privé-zaak is, die zich alleen binnenshuis mag afspelen. In de publieke ruimte, die begint bij de drempel van de voordeur, zijn religieuze symbolen of uitingen niet gepast. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen verschillende religieuze stromingen of uitingen, en veelal ook niet tussen de verschillende domeinen waarin religieuze symbolen worden geuit. Men beroept zich voor dit standpunt vaak op de veelgehoorde scheiding tussen kerk en staat, waarbij het argument klinkt dat we in een seculiere staat leven, waarbinnen religieuze uitingen dus geen plaats hebben. Het Franse model van de laïcité wordt als nastrevenswaardig gezien:
"Strikte scheiding van kerk/moskee/synagoge en staat. Ik wens neutraal bejegend te worden door ambtenaren aan de balie, dus geen religieuze symbolen. Ook geen overheidsgeld meer voor religieuze indoctrinatie van kinderen. Dus, afschaffing van het confessioneel (bijzonder) onderwijs. Ook in winkels wil ik eigenlijk niet lastig gevallen worden met de persoonlijke overtuigingen van winkelbedienden." (reactie op www.trouw.nl) 

De derde visie die in deze internetdebatten naar voren komt, is de anti-islam visie. Voortbordurend op het geluid van de PVV, zie ik vooral op de rechts-georiënteerde actualiteitensites een grote groep mensen die van mening is dat islamitische symbolen en uitingen niet in het Nederlandse publieke debat thuishoren. De voorstanders van deze visie wijzen met name op de zogenaamde joods-christelijke traditie, die Nederland gevormd heeft. De islamitische waarden passen volgens hen niet bij deze Nederlandse traditie, en worden als bedreigend beschouwd. In navolging van PVV-uitspraken gaat het vooral om de 'islamisering van de maatschappij' die we moeten tegengaan. Het meestbesproken onderwerp binnen deze visie is die van de hoofddoek in de publieke ruimte. Er worden twee argumenten gegeven voor het verbieden van de hoofddoek in publieke functies. Enerzijds wordt de hoofddoek gezien als een symbool van onderdrukking van vrouwen, wat ingaat tegen onze Nederlandse waarden. Anderzijds is de hoofddoek een niet-representatief hoofddeksel, dat net als een petje of muts niet wordt geaccepteerd in publieke functies. In deze visie lopen dus twee opvattingen over de hoofddoek door elkaar. Aan de ene kant wordt de hoofddoek gezien als religieus symbool, en als zodanig niet geaccepteerd, en aan de andere kant wordt de hoofddoek gezien als kledingstuk, waarover een werkgever regels kan opstellen. In deze laatste opvatting wordt het religieuze fundament voor de hoofddoek dus genegeerd. Onderstaande reactie op de uitspraak van de rechter over het verbieden van een hoofddoek op een katholieke school, laat deze dubbele benadering duidelijk zien:
"Dit besluit van de rechter geeft hoop voor de toekomst om onze eigen cultuur te kunnen behouden. Buiten dat ik het geen gezicht vind, vrouwen met al die hoofddoeken op straat enz., wordt nu eindelijk duidelijk gemaakt dat wij hier al die geloofsuitingen niet hoeven te accepteren."(reactie www.elsevier.nl)

Het is opmerkelijk dat in deze discussie maar weinig nadruk wordt gelegd op de bepalende rol van religie voor de mensen die hun religiositeit willen uitdragen. Ik realiseer me dat dit te maken kan hebben met de selectie van websites die ik heb bezocht. Toch worden ook op sites als maroc.nl en eo.nl weinig opmerkingen gemaakt die op deze manier een bijdrage leveren aan het debat. De vrijheid om je geloof uit te dragen wordt veelal bepleit binnen de vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst, maar hierin wordt weinig gerefereerd naar de bepalende rol van religie voor de identiteit en voor de vorming van een moreel kompas. De enigen die hierop wijzen, lijken in de kampen van de tegenstanders te zitten. Maar door deze tegenstanders wordt dit juist als negatief gevolg van religie gezien. En volgens hen mag religie geen rol spelen in het publieke domein, omdat religieuze argumenten niet voor iedereen geldig zijn.

Als bijdrage aan het debat zou ik willen wijzen op een mogelijke vierde benadering, die naar mijn mening beter aansluit bij de vragen en problemen in de maatschappij en bovendien het belang van religie onderkent. Wanneer we kijken naar de moderne Nederlandse samenleving, is pluriformiteit een van de meest wezenlijke kenmerken. Deze pluriformiteit komt op vele terreinen naar voren, maar zeker ook op het gebied van levensbeschouwing. Hét kenmerk van een samenleving is, het woord zegt het al, dat we samen leven. Maar omdat er verschillende overtuigingen in de maatschappij vertegenwoordigd zijn, ontstaan er spanningen en botsingen tussen verschillende mensen of verschillende groepen mensen. De vraag die we onszelf moeten stellen is dus, hoe kunnen we samen leven met deze verscheidenheid aan overtuigingen, én hoe kunnen we tegelijkertijd erkennen dat religie een identiteitsbepalende functie heeft? Naar mijn mening is dit niet door religie uit het publieke domein proberen te bannen, of door het expliciet uiten van en bepaalde religie te verbieden of te belasten. Maar de totale vrijheid van de radicale liberaal biedt volgens mij ook geen uitkomst wanneer er spanningen in de samenleving ontstaan door het botsen van verschillende overtuigingen. Er moet een middenweg worden gevonden tussen onverschilligheid aan de ene kant en repressie aan de andere kant.

De Amerikaanse pragmatist Jeffrey Stout geeft een invulling van deze middenweg, waarin religie wel degelijk een rol mag hebben in de overtuiging van mensen, maar in het publieke domein niet mag ingaan tegen onze democratische traditie. Individuen staan in verschillende tradities, die vormend zijn voor hun identiteit en overtuigingen. Deze tradities mogen en zullen altijd een rol spelen in de argumentatie van de aanhangers. Wanneer we ons in het publieke debat mengen, mogen echter religieuze argumenten nooit ingaan tegen onze democratische traditie, die voor ons samen-leven van doorslaggevende waarde is. Zo wordt door Stout een kader geschetst waarbinnen religieuze argumenten mogelijk zijn. Dit kader is echter geen vaststaand gegeven, maar moet worden opgevat als een dynamisch proces, dat voortdurend doorgaat. Het beschouwende debat dat binnenkort in de Tweede Kamer wordt gevoerd, lijkt me een uitgelezen kans om dit proces voort te zetten en opnieuw richting te geven.

maandag 21 maart 2011

De joods-christelijke traditie

Het is opmerkelijk hoe trending topics ontstaan. Tot een week geleden had ik nooit nagedacht over hoe je het beste een kikker zou kunnen koken. En nu? Je kunt de televisie niet aanzetten of een avondje ontspannen naar het theater gaan of er wordt gesproken over het koken van kikkers. Inmiddels ben ik een van-horen-zeggen-expert. Het koken van een levende kikker is tegengesteld aan het koken van pasta. Meer wil ik er niet over kwijt. Mijn eerste reactie was: wie heeft dit ooit, serieus, in een klein pannetje op zijn gasfornuis geprobeerd? Tot ik terugdacht aan mijn horeca-ervaring bij Chinees-Indisch restaurant Hongkong. Nu waren kikkerbilletjes weliswaar niet zo populair (voor mij graag... ehh... nummer 67, de baaabi pan-gan?), maar zo af en toe liep ik toch met wankele knieën, hopend dat alle borden zouden blijven liggen, naar een tafeltje met nette mensen die de kikkerbilletjes hadden besteld. Een delicatesse, weet je wel? Terugdenkend aan deze momenten, zag ik voor me hoe de koks levende kikkers in pannen met lauw water leggen. Bah. Ik moet er niet aan denken. En het troost ook niet echt wanneer je erachter komt dat kikkerbilletjes niet worden afgesneden nadat de kikker gedood is... Gelukkig heeft dit kabinet geld vrijgemaakt voor de dierenpolitie! O, die was hiervoor niet bedoeld. Het koken van kikkers hoort immers bij onze joods-christelijke traditie...

Ook deed deze plotselinge trend van het wereldkundig maken van de beste tactieken voor dierenmishandeling me denken aan een vakantie van vroeger. We stonden op een camping in Italië en ik schuifelde op mijn hurken rond de tent, op zoek naar bijzonderheden. Plotseling zag ik hem. Een hagedis (of iets dat daarop lijkt). Nu had ik wel eens gehoord dat een hagedis zijn staart kon loslaten als hij in gevaar was, en dat er dan weer een nieuwe staart aangroeide. En dat een hagedis dit maar één keer in zijn leven kan doen. "Mama!!", riep ik. Mijn moeder kwam kijken naar mijn vondst en ik vroeg haar of het waar was dat een hagedis zijn staart kon loslaten. Ze verzekerde mij dat het zo was, maar verbood me om het uit te proberen. Dat was immers zielig. Als een hagedis maar één keer zijn staart kan loslaten, in geval van uiterste nood, mag je dit niet bij wijze van experiment en puur voor het vermaak testen. En ze liep weer weg om grote-mensendingen te doen. Gebiologeerd keek ik naar de hagedis. Zou het echt waar zijn, van die staart? En zou het echt maar één keer kunnen? Ik had toen nog niet door dat deze theorie op dat moment niet door mij te falsifieren zou zijn. Wanneer de staart immers zou loslaten als ik hem vastpakte, wist ik niet of het maar één keer kon. Waarschijnlijk zou de hagedis vluchten, en kon ik het dus niet nog eens proberen. En wanneer de staart niet losliet, wist ik niet of de hagedis hem uberhaupt zou kunnen loslaten. En toch... als hij losliet, wist ik dat het in ieder geval één keer kon. Hoe zou dat eruit zien? Nee, het mag niet. Mama heeft gezegd dat het zielig is.

...
(Zou het echt kunnen?)
...

Langzaam ging mijn kleine wijsvingertje in de richting van de staart. Van bovenaf benaderde ik de hagedis. En toen deed ik het. Ik legde mijn vinger op de staart van het beest. Hij schrok, en rende weg, de staart kronkelend onder mijn vinger achterlatend. Ik schrok ook. Het was echt zo! En toen besefte ik dat ik de hagedis had gebruikt om mijn nieuwsgierigheid te testen, en dat hij misschien hierdoor wel sneller dan noodzakelijk dood zou gaan. En dat was mijn schuld. Ik probeerde te doen alsof er niks gebeurd was en liep terug naar mijn familie, maar mijn beteuterde, schuldbewuste gezichtje verraadde me onmiddellijk. De dag erna was ik ziek. En de drie dagen erna volgden mijn zus en mijn ouders. Vier dagen lang zaten we ziek, zwak en misselijk vast op een camping in Italië. Te beroerd om iets te ondernemen. God straft onmiddellijk. Ook dat is een onderdeel van onze joods-christelijke traditie.

woensdag 9 maart 2011

Lente

Ken je dat gevoel? Een constante toevoer van kriebels, die ervoor zorgt dat je mondhoeken niet meer in hun neutrale stand willen blijven staan. Ze worden als door onzichtbare touwtjes naar boven getrokken. De zon schijnt, de vogels kwetteren, de verdorde blaadjes die van de bomen zijn gewaaid, fladderen over het dakterras heen en weer, bij iedere zachte windvlaag. En dat jij daar dan staat en terugdenkt aan dat ene moment. Je voelt dat het bloosrood opnieuw door de huid van je wangen naar buiten toe wil. En dan te bedenken dat je niet eens weet welk moment dat ene moment is geweest. Er is iets gebeurd, je weet niet wat, en wanneer precies, maar opeens is het daar. Een gevoel van onoverwinnelijkheid.

Zoals die ene keer, dat je als puber met je vriendengroep, tijdens een feest waarbij je niet meer volledig nuchter bent, besluit te gaan belletje-lellen bij die ene vervelende leraar. En dat een van je vrienden dan jouw fiets op slot zet, als je gillend probeert weg te vluchten nadat je hebt aangebeld, kan daar niet eens iets aan veranderen. Of die keer dat je voor het eerst met je vriendje naar de dodenherdenking kijkt, op televisie. En dat jullie dan, omdat hij zijn been heeft gebroken, een matras naar beneden slepen, een afschuwelijk grote schaal lasagna maken, en dan, liggend in de woonkamer, nog even wachten met eten om twee minuten stil te zijn. En dat je dan vervolgens ieder jaar uitkijkt naar 4 mei, omdat je ooit op dat moment zo gelukkig was. Of dat moment waarop je ziet dat twee meiden aan de lippen hangen van de jongen die jij leuk vindt. En dat je dan schijnbaar koel langsloopt, hoort dat hij ze een vraag stelt, en zonder blikken of blozen een antwoord geeft. Een fout antwoord, maar dat deert jou, de onaantastbare, niks. En dat je dan doorloopt, en op je terugweg (je loopt daar heus niet expres twee keer langs) hoort wat het antwoord op de vraag was, en dan uitdagend zegt: "Dat zei ik toch?". En dat je dan ziet dat hij jou ook wil.

Ja, zo voelde het ongeveer. Als dat moment waarop je samen in een bijna-uitverkochte, veel te warme theaterzaal zit. En dat je dan in de pauze al had besloten dat op het podium niet zomaar een verhaal, maar jouw verhaal wordt verteld. En dat dan na de pauze opeens 'jullie liedje' wordt gespeeld (en dat terwijl je helemaal niet houdt van stellen met een 'ons liedje'). En dat je elkaar dan aankijkt en verliefd bent. Allebei, op dezelfde en op elkaar.

Ja, zo was het.

dinsdag 1 maart 2011

Etty Hillesum en jongerencultuur

Een paar weken geleden was ik toeschouwer bij een toneelvoorstelling over Etty Hillesum. Of beter gezegd: een voorstelling geïnspireerd op haar dagboeken. Dagboeken van een jonge, intellectuele vrouw, die enerzijds worstelt met vraagstukken die passen bij haar levensfase, en anderzijds door de tijd waarin ze leeft wordt geconfronteerd met een blinde haat die ze probeert te begrijpen. In de aankondiging voor de voorstelling stond dat dit moderne stuk met een combinatie van film en theater een antwoord zou moeten geven op eigentijdse morele vraagstukken die in het leven van Etty Hillesum ook een rol hebben gespeeld.


Nieuwsgierig naar de manier waarop de theatermakers dit hadden uitgewerkt, ging ik naar de voorstelling. Het stuk begon met een  korte introductie van de actrice, die vertelde dat de tekst was geschreven door een jongeman, die voor in de zaal zat, en dat de voorstelling bestond uit een monoloog, afgewisseld met filmbeelden. Vervolgens begon de film te draaien, en zagen we de tekstschrijver, wachtend op een vliegveld om naar Auschwitz te gaan. Verveeld en melig friemelde hij wat aan zijn kopje, en sprak vervolgens lachend de woorden: "Ik verveel me. Zo zal Etty zich ook wel gevoeld hebben voor haar reis". De toon was direct gezet. Ik voelde dat deze eerste zin insloeg in de zaal. Daarna werd de voorstelling gespeeld. Het was een redelijke voorstelling, die me in principe niet zou zijn bijgebleven. Kwalitatief niet hoogstaand, inhoudelijk matig, redelijk geacteerd (voor zover ik dat kan beoordelen). Tussendoor werd nog een fragment geprojecteerd waarin een oude man met vier jongeren een lullig dansje staat te doen in Auschwitz, op het nummer 'I will survive'. En verder werd het verhaal van Etty verweven met het verhaal van een meisje dat door haar vader werd geslagen. Niet meer dan een redelijke voorstelling. Makkelijk te vergeten.

Totdat...

na de voorstelling een gesprek plaatsvond tussen een Etty Hillesum-kenner en de twee makers, waarin werd gevraagd naar de motieven om het stuk te maken en naar hun mening over de dagboeken van Etty. Toen werd het pas echt interessant. En schokkend. Dat niet iedereen even goed in staat is zich mondeling uit te drukken, is in principe geen probleem. Dat niet ieder woord of gebaar van tevoren doordacht is, kan ook een uiting van spontaniteit zijn. Maar de manier waarop deze twee jongeren hun verhaal vertelden, was bizar. De jongeman vertelde dat hij "eigenlijk nooit zoveel had met de Tweede Wereldoorlog", maar dat hij vond dat hij er toch een keer iets mee moest doen. Hij had de dagboeken van Etty gelezen, had de actrice ontmoet en "na een paar avonden met heel veel bier hebben we dit concept bedacht, weet je wel" (sprak hij tegen een vrouw van middelbare leeftijd). Er waren dingen "fucking niet normaal" en artistieke vrijheid gaat boven alles. Dat er misschien schokkende stukken in de voorstelling zaten, was niet hun probleem. Het leek niet uit te maken dat deze stukken inhoudelijk geen toegevoegde waarde hadden. In de zaal groeide langzaam de onrust. Met opgetrokken wenkbrauwen werden betekenisvolle blikken uitgewisseld in de zaal, en toen mijn moeder en ik gelijktijdig de fout in een uitdrukking van de schrijver verbeterden, stootte de man naast me mij aan en zei: "Ik zou ze haast aanraden de volgende keer bij de kleuterklas van mijn kleindochter op te treden. Wat een niveau!" In de rij voor ons zaten echter ook een paar studenten, die regelmatig instemmend knikten bij de opmerkingen van de makers. En zo broeide in de zaal de onrust, terwijl op het podium werd doorgegaan met het gesprek. Hoe meer onzin werd verkondigd, hoe meer er werd geschuifeld met voeten en onrustig werd geschoven in de stoelen. Totdat de actrice op gegeven moment zei: "laten we wel wezen, Etty was natuurlijk ook behoorlijk 'cuckoo'."

Als door een wesp gestoken stonden er mensen op in de zaal, pakten hun spullen en liepen weg. En meer. En nog meer. Nog voordat de makers goed en wel doorhadden wat er gebeurde, waren en zeker een man of dertig, veertig opgestaan. De actrice, die niet uitblonk in snuggerheid, zei nog: "Moet u nu al weg? Wat jammer". Pas na enige tijd begrepen ze dat de mensen niet opstonden om de bus te halen, maar dat het te maken had met wat ze hadden gezegd. De actrice vroeg jolig: "is het zo oninteressant?", waarop iemand in de zaal haar toebeet: "ja". En zo was in een paar minuten de sfeer omgeslagen, en was een ontvlambare sfeer ontstaan, waarin een groepsproces gaande was dat je maar zelden meemaakt. Er werd heftige kritiek geuit op het stuk, op de keuzes die de makers hadden gemaakt, en op de manier waarop ze omgingen met het gedachtegoed van Etty Hillesum, maar er werd ook bewonderend gesproken over de voorstelling. Er ontstonden verschillende kampen van voor- en tegenstanders. Wat in deze discussie precies is gezegd door beide kanten, is niet van belang. Wat mij echter fascineerde en niet losliet na deze avond, was het totale gebrek aan inlevingsvermogen en begrip bij de makers, zowel voor de inhoud van Etty's dagboeken en haar levensverhaal, als voor de kritiek uit de zaal. De afstandelijkheid waarmee ze praatten over de gebeurtenissen in Etty's leven en de lompheid richting de zaal, waar toch een groot aantal mensen zat dat zelf direct, of minstens indirect de invloed van de oorlog heeft meegemaakt, was stuitend.

Ik voelde een soort plaatsvervangende schaamte, omdat ik het gevoel had dat deze manier van communiceren kenmerkend is voor een jongerencultuur waarvan ik me sterk afvraag of ik erbij wil horen. De studenten in de rij voor me leken zich totaal niet te storen aan de manier van praten van de makers, die toch wat mij betreft een onvermogen tot aanpassing liet zien. Dat je als jongeren onderling praat met bijzinnen als "weet je wel" en "fucking ..." vind ik prima. Maar dat je niet kunt overschakelen op een ander soort taalgebruik wanneer je met oudere mensen in gesprek bent, vond ik respectloos. Een oudere man in de zaal die kanttekeningen had geplaatst bij de voorstelling en de vraag had gesteld waar de makers het recht vandaan meenden te halen om op deze manier met deze thematiek om te gaan, werd aangesproken met 'jij'. Bovendien werd zijn vraag niet beantwoord met een verantwoording van de (artistieke) keuzes die zijn gemaakt, maar afgedaan als een verschil in mening en smaak. Deze avond heeft bij mij vele vragen opgeroepen en heeft me op bepaalde punten een spiegel voorgehouden. Wij, jongeren van het eind van de 20e eeuw, hebben de oorlog alleen leren kennen in de geschiedenislessen op school en uit de verhalen van onze grootouders. De oorlog lijkt soms gereduceerd te worden tot een getal, het aantal Joden dat vermoord is, en wordt jaarlijk herdacht tijdens twee minuten. Maar hoeveel jongeren denken in die twee minuten eigenlijk aan oorlog? En maakt dat uit? Moet de oorlog op een bepaalde manier worden herdacht? Moet er op een bepaalde, respectvolle manier over worden gesproken? Of staan we er inmiddels zo ver vanaf dat ieder voor zich mag bepalen hoe hij/zij deze thematiek benadert, ongeacht of dit kwetsend of respectloos is? Ik heb geen definitief antwoord op deze vragen. Ik merkte alleen hoe zeer het me raakte dat er zonder gène en zonder gevoel werd gesproken over de oorlog, die zoveel mensen heeft geraakt. En hoe de schitterende, weldoordachte dagboeken van Etty met zo weinig inlevingsvermogen en begrip werden gebruikt voor het uiten van slechts een mening. Als een denderende trein over gevoelens van mensen. Ik vraag me af hoe Etty zich hierover zou hebben gevoeld.